Wat is er aan de hand met onze pensioenen?
Wat is er aan de hand met onze pensioenen?
In dit artikel meer over de achtergrond van alle onheilspellende verhalen over uw pensioen. Jan Witvoet gaat dieper in op de dekkingsgraad en de waardering van bezittingen en verplichtingen.
Het vermogen van het ABP is in 8 maanden tijd gegroeid met 17 miljard euro (stand eind augustus). Toch zit uw pensioenfonds in de gevarenzone. De dekkingsgraad van uw pensioenfonds ABP was eind augustus 88%. De grote vraag is nu: gaat deze graadmeter voor het eind van het jaar (2010) nog omhoog naar rond de 105% of niet? Waarom is dat de vraag? Waarom is de dekkingsgraad op dit moment te laag?
Wat is de dekkingsgraad?
Een steeds weer opduikende term in alle discussies is de dekkingsgraad.
Een pensioenfonds heeft op de ene kant van haar balans het vermogen, de bezittingen staan. Dat is het geld dat werkgevers en werknemers hebben gestort en de daarmee gerealiseerde opbrengsten. Allemaal bedoeld om (later) de pensioenen mee te kunnen betalen.
Aan de andere kant van die balans staan de verplichtingen, het geld dat het pensioenfonds nu in kas moet hebben om later de pensioenen tijdig en volledig te kunnen betalen.
De verhouding tussen de bezittingen en de verplichtingen is de dekkingsgraad.
Stel dat de bezittingen 100 en de verplichtingen 80 bedragen, dan is de dekkingsgraad: de bezittingen gedeeld door de verplichtingen of 100:80 = 1,25. Omdat de dekkingsgraad altijd als een percentage wordt uitgedrukt is hier sprake van een dekkingsgraad van 125%.
Vandaag de dag zouden de meeste pensioenfondsen met een dergelijke dekkingsgraad erg blij zijn.
De Nederlandse Bank (DNB) - de bij wet ingestelde toezichthouder op de pensioenfondsen - beoordeelt de dekkingsgraad op twee criteria.
1. Is er voldoende geld in kas om aan alle toekomstige verplichtingen te kunnen voldoen?
Deze vraag beantwoordt de DNB positief als de dekkingsgraad ca. 105% bedraagt. Als de dekkingsgraad lager is dan dit percentage, dan is er sprake van een dekkingstekort en moet het desbetreffende pensioenfonds een korte termijn herstelplan indienen waarin het aangeeft hoe het binnen een periode van 3 jaren een dekkingsgraad van meer dan 105% denkt te bereiken.
2. Een tweede criterium voor de beoordeling van de dekkingsgraad is of deze hoog genoeg is om de risico’s van het vermogensbeheer op te vangen.
Pensioenfondsen beleggen de aan hun toevertrouwde middelen. Op deze manier zorgen ze er voor dat er voldoende geld beschikbaar komt om de pensioenen te kunnen betalen. Aan de verschillende beleggingsvormen kleven verschillende risico’s. Die zijn het kleinst indien een fonds alleen maar in staatsobligaties belegt en worden groter naarmate er meer in aandelen en soortgelijke middelen wordt geïnvesteerd.
Om te voorkomen dat een pensioenfonds meteen een dekkingstekort krijgt als er een beleggingsverlies optreedt, schrijft de DNB voor dat de pensioenfondsen in hun dekkingsgraad ook een buffer voor het beleggingsrisico opnemen. De omvang van deze buffer is geheel afhankelijk van de samenstelling van de beleggingsportefeuille van het pensioenfonds. Bij de meeste pensioenfondsen ligt deze buffer in de buurt van de 20%, zodat in die gevallen de minimaal vereiste dekkingsgraad 125% bedraagt. Is er geen sprake van een dekkingstekort maar wordt niet voldaan een de eis voor de dekkingsgraad inclusief de buffer voor beleggingsrisico’s, dan is er bij dat pensioenfonds sprake van een reservetekort. In deze situatie moet het pensioenfonds een lange-termijn herstelplan indienen, waarin het aangeeft hoe men het buffertekort in de komende 15 jaar wil wegwerken.
Lang-levenrisico
Bij de dekkingsgraad hebben we gesproken over de balans met daarop de bezittingen en de verplichtingen, maar hoe stel je die nu vast?
Bij de bezittingen is dat relatief eenvoudig, je telt de reële verkoopwaarde van alle bezittingen bij elkaar op en klaar is Kees. Dat het bepalen van de reële marktwaarde voor sommige moeilijker te verhandelen bezittingen aanzienlijk gecompliceerder is, laten we hier maar even terzijde.
Veel spannender wordt het bij het bepalen van de actuele balanswaarde van de verplichtingen omdat niemand die met absolute zekerheid kan vertellen.
Van meneer of mevrouw A. , deelnemer in ons pensioenfonds, weten we op enig moment precies welk pensioenrecht, uitgedrukt in een bedrag per jaar, hij of zij tot dan toe heeft opgebouwd.
Wat we echter niet met zekerheid weten is hoeveel jaar deze deelnemer van dat recht gebruik zal maken. Nu kan ieder pensioenfonds uit de eigen administratie wel een gemiddelde gebruiksduur berekenen, maar die gegevens zijn gebaseerd op het verleden.
Het Centraal Bureau voor de Statistiek en het Actuarieel Genootschap publiceren echter periodiek een overzicht van de levensverwachting, waarin ook de verwachte toekomstige ontwikkelingen zijn opgenomen. Hieruit blijkt dat de gemiddelde levensverwachting steeds verder toeneemt en om dit zogenaamde lang-leven-risico af te dekken zien de pensioenfondsen hun verplichtingen daarom telkens stijgen.
Contante waarde
Een tweede probleem bij de vaststelling van de verplichtingen is hoeveel geld het pensioenfonds nu in kas moet hebben om straks aan zijn verplichtingen te kunnen voldoen. Een pensioenfonds bewaart de ingelegde premies niet in een oude sok. In alle redelijkheid mag je verwachten dat een zorgvuldig vermogensbeheer ook weer geld oplevert. Een pensioenfonds moet dus nu zoveel geld in kas hebben dat dit samen met het te verwachten rendement precies genoeg is om straks aan de verplichtingen te kunnen voldoen. Als iemand aan een ander over precies 20 jaar € 1000,- moet betalen en de bank hem 2,5% rente vergoedt, dan moet hij nu € 625,73 op de bank zetten. Samen met de rente die hij zal ontvangen levert dat over 20 jaren precies de € 1000,- op die hij moest betalen. Wat we hier hebben gedaan is het berekenen van de contante waarde van de verplichting.
In bovenstaande berekening hebben we gerekend met een rente van 2,5%, de rekenrente.
Als we echter niet met een rekenrente van 2,5%, maar met 5% hadden gerekend, dan zou de contante waarde in ons rekenvoorbeeld slechts € 395,74 zijn geweest.
Ook de pensioenfondsen werken met de contante waarde van de verplichtingen. Zoals we uit het rekenvoorbeeld zien is de omvang van die contante waarde sterk afhankelijk van de gebruikte rekenrente.
Hogere premie?
Is het verstandig om de premie te verhogen als de dekkingsgraad te laag is?
Het is de taak van het bestuur van een pensioenfonds om de hoogte van de premie te bepalen. Het ABP heeft de premie recentelijk verhoogd. Maar een premieverhoging is een beperkt middel om de dekkingsgraad weer op het vereiste niveau te brengen.
Dat heeft te maken met de ‘vergrijzing’ van de deelnemers in het pensioenfonds. Naarmate een pensioenfonds langer bestaat en meer mensen bij dat fonds rechten hebben opgebouwd, verandert de verhouding tussen het vermogen van het pensioenfonds en de totale salarissom, waarover dat pensioenfonds premie kan berekenen. Dat heet de vergrijzingratio.
Het is geen uitzondering dat het vermogen van een pensioenfonds 7 of 8 keer groter is dan de salarissom van de actiefdienenden die bij dat fonds zijn aangesloten.
Een pensioenfonds als het ABP heeft - uitgaande van een voldoende dekkingsgraad - over een lange reeks van jaren gezien een gemiddeld rendement van ca. 7% nodig. Anders kan het fonds het streven om de pensioenen aan te kunnen passen aan de loonontwikkeling niet waar maken.
Als dit gemiddelde rendement langdurig 6% zou zijn, dus 1 % minder, dan kan het fonds dit alleen door een premieverhoging van 7 of 8 procentpunten compenseren.
Dit lijkt geen realistische optie. De huidige pensioenpremies zijn al zo hoog dat een verdere stijging tot grote problemen zal leiden. Ook zal dit ongetwijfeld aanleiding geven tot een moeizame discussie tussen de werkgevers en werknemers over de kwaliteit van het pensioenstelsel.
Beleggen in aandelen etc. is een pure noodzaak
Hebben de pensioenfondsen het geld van de deelnemers en gepensioneerden verspeeld door te grote risico’s te nemen in het beleggingsbeleid?
De laatste jaren zijn de resultaten van het beleggingsbeleid bijzonder grillig geweest. Het ene jaar wordt een verlies van 20% geleden en het jaar daarop is er weer sprake van een winst van 20%.
Deze grote verschillen in jaarlijkse resultaten zijn voor de bestuurbaarheid van een pensioenfonds buitengewoon hinderlijk. De roep om uit risicovollere beleggingen als aandelen etc. te gaan en de veiligheid van de (min of meer) gegarandeerde staatsleningen te zoeken, neemt dan snel toe.
Dat lijkt voordelen te hebben. Minder grote verschillen in de jaarlijkse rendementen maken een fonds beter bestuurbaar en minder risicovolle beleggingen betekenen lagere verplichte buffers voor de dekkingsgraad.
Er zit echter ook een andere kant aan die medaille.
Zoals hiervoor al gesteld moet een pensioenfonds als het ABP bij een toereikende dekkingsgraad gemiddeld jaarlijks ca. 7% rendement halen om alle gestelde doelen inclusief indexering te kunnen realiseren.
Een dergelijk rendement is niet haalbaar zonder te beleggen in aandelen en andere zakelijke waarden.
Natuurlijk moet dan het beleggingsbeleid wel omkleed worden met zoveel mogelijke waarborgen waarin de risico’s tot het uiterste worden beperkt en is een professionele organisatie en een streng toezicht nodig.
Maar: als je niet nat wil worden, moet je niet gaan zwemmen. Alle denkbare voorzorgen zullen niet kunnen verhinderen dat van tijd tot tijd een pensioenfonds verlies lijdt op de beleggingen.
Er moet dan wel voor gewaakt worden dat de langjarig gemiddelde resultaten voldoende zijn.
De rol van de toezichthouder
Pensioen is uitgesteld loon. Pensioen moet de werknemer na afloop van zijn werkzame leven in staat stellen zonder al te grote zorgen van de oude dag te kunnen genieten.
Werkgever(s) en werknemers in een bedrijf of bedrijfstak maken afspraken over hoe dat pensioen er uit moet zien. Zij geven een pensioenfonds opdracht om die regeling uit te voeren.
De wetgever heeft een aantal regels vastgesteld waaraan pensioenfondsen zich hebben te houden. Die regels zijn vastgelegd in de Pensioenwet. Ze houden onder meer in dat de pensioenfondsen onder toezicht van een toezichthouder zijn geplaatst. Die toezichthouder is sinds enige tijd De Nederlandse Bank (DNB).
De DNB geeft aan de pensioenfondsen de nodige op de wet gebaseerde instructies en zorgt er vervolgens voor dat ieder pensioenfonds zich keurig aan die instructies en de wet houdt.
Naast een groot aantal andere taken beoordeelt DNB ook of de pensioenfondsen wel of niet aan hun verplichtingen zullen kunnen voldoen.
Financiële toetsingskader
Een belangrijk beoordelingsinstrument is het zogenaamde Financiële ToetsingsKader, het FTK.
Dit FTK schrijft voor hoe pensioenfondsen hun bezittingen en verplichtingen moeten waarderen, hoe voor dat pensioenfonds de dekkingsgraad moet worden berekend en wat er moet gebeuren als de dekkingsgraad op enig moment ontoereikend is.
In de paragraaf ‘Contante waarde’ hierboven hebben we laten zien welke invloed de rekenrente heeft op het bepalen van de waarde van de verplichtingen. De hoogte van deze rekenrente wordt op basis van de in het FTK beschreven regels bepaald door de DNB. Die baseert zich daarbij op de rente die op staatsleningen bij de diverse looptijden wordt gegeven.
Deze rente is op dit moment uiterst laag. Dat houdt in dat pensioenfondsen verplicht zijn hun verplichtingen contant te maken onder de aanname dat gedurende de gehele resterende looptijd van die verplichtingen een zeer laag rendement op het belegd vermogen zal worden behaald.
Daardoor stijgen de verplichtingen aanzienlijk. Dat willen we aantonen met een voorbeeld uit de praktijk van het ABP.
Op 31 december 2009 bedroeg de rekenrente overeenkomstig het FTK 3,871%.
De verplichtingen bedroegen toen € 201,03 miljard en bij een vermogen van € 208,06 miljard was de dekkingsgraad 103,5%.
Op 31 augustus 2010 bedroeg de rekenrente overeenkomstig het FTK 2,516%.
De verplichtingen waren toen € 257,21 miljard, het vermogen € 225,63 miljard en de dekkingsgraad 87,7%.
Ondanks het feit dat in 8 maanden tijd het vermogen met ruim 17 miljard is toegenomen kelderde de dekkingsgraad in die periode met bijna 16% omdat de voorgeschreven rekenrente met 1,355 %-punt is gedaald waardoor de verplichtingen met ruim € 56 miljard zijn toegenomen.
Deze catastrofale verschillen hebben er toe geleid dat nu de discussie volop wordt gevoerd of deze systematiek wel echt bruikbaar is.
De rekenrente op basis van het FTK is een aanname dat het rendement van het pensioenfonds over een lange reeks van jaren op dat niveau zal liggen. Het zegt echter niets over het daadwerkelijke rendement dat in die periode behaald zal worden.
Vriend en vijand zijn het er over eens dat de huidige rekenrente wel heel erg laag is.
Rendementen uit het verleden zijn geen enkele garantie voor de toekomst. In de afgelopen 15 jaar was het daadwerkelijk behaald rendement meer dan 6,5%. Het is de vraag of op basis van de aanname dat het rendement de komende tientallen jaren onder de drie procent zal liggen de pensioenen moeten worden gekort. Omdat de met die lage rente berekende dekkingsgraad ontoereikend is.
Conclusie
De Vakbond voor Defensiepersoneel VBM|NOV vindt het een goede zaak dat het pensioen de laatste jaren steeds meer in de belangstelling is komen te staan. Er zijn veel ontwikkelingen en kwesties die vragen om een actieve betrokkenheid van onze leden. Wij denken daarbij aan de ontwikkelingen in de gemiddelde levensduur (hogere levensverwachting; we worden gemiddeld ‘ouder’), de hoogte van de premie en de problematiek van de financiële markten.
Het is niet meer vanzelfsprekend dat het met de pensioenen wel goed zit. Pensioenfondsen mogen die onzekerheid nooit doorschuiven naar toekomstige generaties. Dat zou de onderlinge solidariteit uithollen.
Maar dat kan wel betekenen dat pensioenaanspraken minder hard zijn dan door velen verwacht en gewenst. Pensioenen zullen in de toekomst alleen voldoende kwaliteit hebben als we met elkaar durven te accepteren dat er aan die pensioenen ook risico’s kleven en dat pensioenen niet altijd in de pas kunnen lopen met de loonontwikkeling of dat in extreme omstandigheden pensioenen tijdelijk moeten worden verlaagd.
Aan de andere kant mag het ook niet zo zijn dat door te extreme regelgeving de huidige pensioenaanspraken afbrokkelen wanneer pensioenfondsen op basis van te voorzichtige aannames op pensioenaanspraken moeten korten.

