Bannerlogo

 


Een beetje meer Mission Design kan geen kwaad
In de afgelopen maanden is DenK onder andere bezig geweest met het leveren van een bijdrage aan de politieke behandeling van de Eindevaluatie NL-bijdrage aan ISAF 2006-2010. Ons DenK- en Hoofdbestuurslid Harm de Jonge heeft daartoe onze standpunten uitgewisseld met verschillende leden van de Vaste Kamercommissie voor Defensie. Deze standpunten kunt u lezen in onderstaande samenvatting;

Uruzgan:  “ Wij zijn maar begonnen en hebben maar geprobeerd zonder dat wij eigenlijk wisten wát we wilden bereiken, hóe we dat wilden en wat daar voor nodig was”. Dat moet ongeveer de conclusie zijn als je het evaluatierapport “Nederlandse bijdrage aan ISAF, 2006 – 2010 “ leest.  Wellicht had Defensie een helder beeld, maar hoe dat departement nu met Diplomacy en Development tot één integrale aanpak kon komen, was initieel lange tijd niet afgedekt. Donderdagmiddag debatteert het Parlement en Minister(s) hierover in het Algemeen Overleg. Het is de regering die daar verantwoording aflegt aan de volksvertegenwoordiging en het geschiedt op basis van een omvangrijk rapport opgesteld door Defensie en Buitenlandse Zaken. De evaluatie is begeleid door een commissie van onafhankelijke experts.  Een goede basis, zo lijkt het, ware het niet dat het rapport nogal vlakjes is. Het vuurwerk en de echte lering en vastlegging moet dus komen uit het debat. En dat zien we van harte tegemoet omdat het wel erg belangrijk is om te leren uit de ervaringen en die lering vooral om te zetten in structurele verbeteringen. Bovendien is het natuurlijk extra relevant in het licht van het recent aangekondigde Amerikaanse  streven om óók voortijdig de missie te beëindigen.  Staan wij eigenlijk wel eens stil wat dat nu daadwerkelijk betekent?  Terug naar ónze horizon. Wat zijn nu de hoofdlijnen in het rapport?  Het ontbrak in de eerste jaren aan een interdepartementaal mission design, zo meldt het rapport. Diverse ministeries gaven ieder hun eigen instructies aan de militaire en civiele kant van de missie. Dat is nogal wat: je begint als Overheid een risicovolle investering terwijl de onderscheiden “productieafdelingen“ onderling niet hebben afgestemd. Je legt dan een enorme druk en verantwoordelijkheid bij de mensen in het veld die alle zaken aan elkaar moeten knopen wat op de ministeries nagelaten is. Maar óók relevant: de Nederlandse samenleving accepteert dit uiteindelijk niet. Die wil een goede, succesvolle inzet waarbij de sympathie en de steun ligt bij de jongelui die het allemaal moeten uitvoeren. Bestuurders en ambtenaren die bij gebrek aan sturing en wil tot samenwerking elkaar voor de voeten lopen, scoren dan niet waardoor het draagvlak voor de missie verdampt. Landen om ons heen laten zien hoe het anders kan: zo’n inzet van nationaal belang wordt voorbereid en aangestuurd door een gezaghebbend bureau direct onder de minister-president en wordt niet meer overgelaten aan onder elkaar kibbelende ministers. Een gevolg was bijvoorbeeld het ontbreken van unity of effort. Nederlandse donorgelden werden veelal bestemd voor nation-wide  Afghaanse besteding via Kabul terwijl onze militairen en diplomaten al hun aandacht richtten op de toch al moeilijke provincie Uruzgan.En dan was die “doorstroom van fondsen ook nog eens erg traag hetgeen een negatieve impact had op de uitvoering .“, meldt het rapport. In normale termen: we zagen in Uruzgan dus niet veel van die eigen donorgelden. Niet handig  en dat had dus anders gekund. Wellicht dat het debat hier voor de toekomst iets van vindt. Het opleiden en trainen van Afghaanse politie in Uruzgan leek natuurlijk vanaf het allereerste begin erg belangrijk om orde en veiligheid door hen zelf te laten waarborgen. Waardoor je dan lopende de missie met minder Nederlanders toe kan. Hoewel het rapport nogal positief is over die aanpak, wijst de praktijk anders uit. Zeker in de eerste twee jaar werd alsmaar gewacht op de krachten van EUPOL die dit voor hun rekening zouden nemen. Die kwamen echter niet, hetgeen vooraf in te schatten was. Tenslotte hebben Nederlanders dan maar zelf die training ter hand genomen. Maar er was wel belangrijke tijd verloren. Het rapport is wat mager in de les die we daar nu uit moeten leren. Wellicht wat assertiever op ministerieel niveau?  Ongetwijfeld ligt het meest wezenlijke van het rapport enigszins verscholen in de constatering dat “ er geen traditie van centraal overheidsgezag in Afghanistan “ was en “resultaten op het gebied van goed bestuur zijn achtergebleven “. De constatering richt zich hier op Uruzgan, maar kan natuurlijk niet los gezien worden van de situatie in het hele land.  Feit is dat na de verdrijving van de Taliban in 2001, westerse expertise waaronder ongetwijfeld Nederlandse, geholpen heeft om voor Afghanistan een nieuwe grondwet op te stellen. Die wet zal wel enigszins westers georiënteerd zijn geschreven. Het ging in ieder geval uit van een sterk centraal gezag en veel bestuurlijke macht in Kabul. Dat past niet zomaar bij de eeuwen oude traditie van die stammen en volken. Afghanen accepteren dat gewoon niet. Zo’n grondwet is een non-optie!  De internationale gemeenschap heeft zich dus ingespannen een bestuurssysteem te ( helpen) inrichten, ook in Uruzgan, wat niet verwelkomd werd door de Afghanen zelf. Daarmee hebben wij het onszelf wel erg moeilijk gemaakt!  Merkwaardig genoeg gaat het rapport hier voorbij aan de vraag hoe dit nu zo ontstaan is. Terwijl zulke kennis van de situatie en gedegen analyse daarover nu juist cruciaal is om vóórafgaand aan een inzet een gedegen afweging te maken. Voor de Gezamenlijke Officierenverenigingen geldt dat Nederland echt verschil heeft gemaakt in Uruzgan. Maar om terug te komen op de openingszin, met een goed Mission Design, een Unity of Effort, hadden wij met alle elementen van die inzet, geïntegreerd vanaf het hoogste nationale niveau, veel meer kunnen bereiken. En dat is de les die wij zouden moeten trekken.

Gezamenlijke Officierenverenigingen
J.H. de Jonge
Generaal-majoor b.d.

 

 

Collage 3


TOP